Figuren, tabellen en grafieken

Figuren (illustraties, foto’s én grafieken) en tabellen ondersteunen of versterken de boodschap in je tekst. Kies daarom met zorg uit welke informatie wél en welke niet in een figuur komt. Een veelgemaakte fout is dat de boodschap in de tekst en die in een figuur of tabel met elkaar niet overeenkomen, of dat de figuren en tabellen meer (of minder) informatie bevatten dan de geschreven tekst. In dat geval leiden de figuren en tabellen af van de boodschap. 

Iedere figuur of tabel:

  • is genummerd en bevat een korte maar informatieve titel;
  • bevat een uitleg in de legenda;
  • bevat een referentie indien van toepassing;
  • is leesbaar (en dus niet te klein);
  • valt binnen de marges van de bladzijden;
  • wordt genoemd en beschreven in de hoofdtekst.

 

Figuren zoals foto’s (microscopie, western blot etc.) zijn redelijk eenvoudig in een wetenschappelijke tekst te verwerken, maar realiseer je dat het simpelweg knippen en plakken van een foto niet voldoende is. Een foto heeft vaak markeringen en een onderschrift nodig. Ook een schematische illustratie van bijvoorbeeld een biologisch proces of een techniek moet voldoende informatie bevatten, zodat de illustratie correct en passend is bij de boodschap van het figuur. Het is makkelijk om te veel informatie te willen geven. Selecteer daarom alleen de onderdelen die ertoe doen. Een grafiek wordt ook beschouwd als een figuur. Meer uitleg over het maken van grafieken vind je hier

Grafieken of afbeeldingen die bij elkaar horen, kunnen in één figuur met verschillende panels gepresenteerd worden (figuur 1A, 1B, 1C i.p.v. figuur 1, 2, 3). De panels in figuur 6 lijken misschien niet bij elkaar passen omdat de wetenschappelijk inhoud per panel totaal anders is. Echter, omdat het figuur zich niet richt op de wetenschappelijke inhoud maar op de verschillende elementen (bijschriften, markeringen, inzets, pijlen), is er toch samenhang tussen de panels.

Er is geen duidelijk criterium voor het weergeven van data in een tabel of juist een grafiek. Vraag jezelf af welke boodschap je met die gegevens wilt overbrengen, en of die boodschap het duidelijkst is uit te leggen (begrijpen) met behulp van een grafiek of een tabel. Over het algemeen oogt een grafiek overzichtelijker en heeft dat de voorkeur. In sommige gevallen heb je erg veel grafieken nodig om de informatie te laten zien, terwijl je die ook in één overzichtelijke tabel had kunnen presenteren. In zo’n geval kun je beter voor de tabel kiezen.

Selecteren van het juiste grafiektype

Denk altijd goed na over de belangrijkste boodschap die je wilt overbrengen met je grafiek en baseer hierop je keuze voor het toepassen van een bepaald grafiektype. Er zijn vele soorten grafiektypen te bedenken. De meest gebruikte vind je in figuur 6 (hierboven).

  • Een verandering over tijd is goed uit te drukken in een lijngrafiek (zie figuur 6a);
  • Een staafdiagram (zie figuur 6b) is meestal zeer geschikt voor absolute verschillen tussen groepen. Wil je hierbij meer aandacht hebben voor de spreiding binnen een groep, dan is een een zogenaamde “column scatter plot” beter op zijn plaats (zie figuur 6c);
  • Correlaties komen het best tot hun recht in een zogenaamde scatterplot (zie figuur 6d).

 

Hieronder (figuur 7) zijn dezelfde data in verschillende typen grafieken weergeven. De gebruikte weergave van de data en de bijhorende legenda hebben invloed op de conclusie die de lezer vormt.

 

Wil je het verloop in tijd laten zien en is de belangrijkste boodschap dat de concentratie Y is toegenomen na behandeling met X en dat de onbehandelde cellen gelijk zijn gebleven in de tijd, dan kun je kiezen voor een lijngrafiek (figuur 7A). Wil je benadrukken dat behandelde cellen op verschillende tijdspunten een grotere concentratie van een eiwit uitscheiden ten opzichte van onbehandelde cellen, dan is een staafdiagram de juiste keuze. Dit heeft ook effect op je statistische benadering. In de lijngrafiek wordt t=0 met de andere tijdstippen vergeleken. In het staafdiagram wordt er een vergelijking gemaakt tussen de niet-gestimuleerde cellen en de gestimuleerde cellen (resp. grijze balk vs. zwarte balk). De beschrijving van het experiment/resultaat in de legenda wordt ook beïnvloed door het grafiektype. 

 

Bovenstaande grafieken bevatten:

1. Een Y-as met een titel,een eenheid en passende schaalverdeling:

  • De eenheid wordt slechts in de titel genoemd en niet bij de getallen van de as.
  • Door de gebruikte schaalverdeling is het effect van de stimulatie met X duidelijk zichtbaar.

2. Een X-as met een titel, een eenheiden een passende schaalverdeling:

  • In dit geval is de eenheid ‘dagen’ (opgenomen in de titel en niet apart vermeld tussen haakje). Een alternatief: ‘tijd na stimulatie met X (dagen)’.
  • Er is iedere drie dagen gemeten. Ieder meetpunt is onderdeel van de primaire schaalverdeling.

3. De grafieklijnen of -staven zijn rustig en eenvoudig opgemaakt, maar er is een duidelijk verschil tussen de verschillende groepen (grijs en zwart).

4. Ieder punt in de grafiek is een gemiddelde per meetpunt (zie bijschrift en Y-as) van een steekproefgrootte van 6 (zie bijschrift). Daarom bevat ieder meetpunt een foutenmarge (in dit geval een standaarddeviatie).

5. Een legenda die de verschillende kleuren van de lijnen verklaart.

6. Indien van toepassing wordt er in de grafiek aangegeven tussen welke groepen/meetpunten een significant verschil is gevonden.

7. Een bijschrift met een titel en een beschrijving van het experiment.

Tips bij het maken van een grafiek

Denk van tevoren na over welke boodschap je wilt overbrengen en baseer hierop je keuze voor een bepaald grafiektype. Probeer eventueel twee verschillende grafiektypen en beoordeel welke van deze de data op de gewenst manier weergeeft.

  • Houd er rekening mee dat het normaliseren van je data effect kan hebben op de boodschap.

Geef de x- en y-as een duidelijke titel, inclusief de juiste eenheden

Zorg voor een goede schaalverdelingwaarbij de effecten die je wilt laten zien duidelijk zichtbaar zijn. 

  • Wanneer een as niet bij nul begint moet je dat aangeven door middel van een breuklijn. Bij het kijken naar een grafiek laat je in gedachten de as automatisch bij nul beginnen. Wanneer dat niet het geval is, zal de lezer datgene wat de grafiek weergeeft meestal zwaar overschatten. 

Geef de verschillende behandelingen/individuen/groepen met duidelijk verschillende symbolen/lijntypen/arceringen aan. Gebruik eventueel kleuren om verschillen te accentueren. 

  • Maak een duidelijke legenda om de verschillende symbolen, lijntypen, arceringen etc. aan te geven.
  • Maak een grafiek niet te druk. Gebruik dus nooit teveel lijnen, punten of arceringen. Hoe rustiger het plaatje overkomt, des te makkelijker je het kan begrijpen. Zo kun je ervoor kiezen om, wanneer er teveel data in één grafiek zou komen, losse grafieken te maken van bijvoorbeeld je testgroep versus de controle.
  • Het is handig om een opgemaakte grafiek op te slaan als een sjabloon, zodat je niet altijd de grafieken opnieuw hoeft op te maken (want de standaardopmaak van Excel is niet ideaal). Hier vind je hoe je een grafiek opslaat als sjabloon.

Geef in een grafiek waarin de gemiddelde waarden zijn uitgezet ook altijd een foutenmarge (zoals standaarddeviatie) weer met behulp van foutbalken. 

In een verslag moet elke figuur een apart onderschrift hebben, omdat je deze los van de tekst in het verslag moet kunnen begrijpen. De eerste zin van het bijschrift vormt de titel van de figuur. Deze titel kan zowel beschrijvend als concluderend zijn (zie het voorbeeld van figuur 7 hierboven). Je vervolgt de titel met een uitleg van wat de grafiek weergeeft. Daarbij geef je aan of de punten die je ziet individuele waarden zijn of gemiddelden. Als het gemiddelden zijn geef je aan wat de steekproefgrootte(n) was. Heb je meerdere panels binnen één figuur, omschrijf dan voor ieder panel wat daarin te zien is.

 

Tips bij het maken van een tabel

Net als een grafiek moet een tabel van toegevoegde waarde zijn voor je verslag en de data op de meest overzichtelijke wijze presenteren. Een tabel is dus geen naslagwerk van alle geproduceerde data. Een overzichtelijke en leesbare tabel heeft dan ook niet te veel rijen en kolommen. In de linkerkolom en/of de bovenste regel staat de parameter (grootheid), inclusief de correcte eenheid. Hierdoor staat er geen eenheid bij de individuele waarden in de grafiek. Hieronder zie je een voorbeeld van een overzichtelijke tabel:

Denk na of het nuttig is om de gegevens in de rijen en kolommen nog verder onder te verdelen en zet die onderverdeling (1) er dan bij. Meestal maakt dit de tabel iets leesbaarder.

Zorg voor een overzichtelijke lay-out door de getallen in de verschillende kolommen precies onder elkaar te zetten en niet teveel cijfers te gebruiken (2).

  • Beperk het aantal “versieringen” in een tabel: niet te veel verschillende lettertypes, kleuren, verschillende soorten lijnen, arceringen etc. Dit maakt een tabel heel onrustig en daardoor onoverzichtelijk. 

Getallen als 85678 g of 0,0000056 g horen, nog onafhankelijk van het feit of je ze werkelijk zo nauwkeurig hebt gemeten als ze nu zijn aangegeven, niet in een tabel thuis. Een verandering van eenheid (van g naar kg of μg; respectievelijk: 85,7 kg of 5,6 μg) of een wetenschappelijke notitie (respectievelijk 85,7 x 103g en 5,6 x 10-6g) maken de tabel leesbaarder. 

  • De wetenschappelijke notatie wordt niet toegevoegd aan iedere waarde, maar is opgenomen in de parameter (gewicht (x10-6g)).

Geef in een tabel waarin de gemiddelde waardenzijn uitgezet ook altijd de steekproefgrootte (3) en de foutenmarge (zoals standaarddeviatie) weer tussen haakjes achter of onder het gemiddelde (4)

Elke tabel moet een bovenschrift hebben (5), zodat hij los van de tekst in het verslag begrepen kan worden. Het bovenschrift is meestal een samenvattende titel, maar het kan ook een beschrijving geven van wat de tabel weergeeft.

Eventueel aanvullende informatie kan als voetnoot van de tabel worden opgenomen (6). Probeer dit te vermijden.