Het ontwerpen van je tekst

Voordat je begint met schrijven is het verstandig om na te denken over wat er van je wordt verwacht. Denk hierbij aan:

 

Wat voor type tekst moet je schrijven?

Gaat het om een verslag over een experiment, een recente wetenschappelijke ontwikkeling, of een literatuuronderzoek? Hoe zijn deze tekstvormen opgebouwd en waar moeten ze aan voldoen? In deze handleiding vind je tips voor:

 

Wie is de doelgroep? Welke moeilijke begrippen moeten uitgelegd worden?

De lezer moet zich aangesproken voelen, mag het niet saai vinden en moet het bovenal kunnen begrijpen. Het is hiervoor belangrijk dat je weet wat de lezer aanspreekt en wat de lezer al weet over een bepaald onderwerp. 

Bij BMW is de doelgroep meestal een medestudent. Als je medestudent een verslag over een ander onderwerp schrijft is het vanzelfsprekend dat jij meer weet over jouw onderwerp.

Schrijf je voor een brede doelgroep, kijk dan bij de tips over communiceren naar een breed publiek.

 

Hoeveel tijd krijg je ervoor en hoe lang moet het zijn? 

Maak een goede planning (en houd je hieraan). 

  • Bij uitgebreide verslagen nemen voorbereidende zaken zoals het zoeken naar literatuur, het lezen van literatuur en het maken van een opzet voor je verslag meestal 60-70% van je tijd in, en het schrijven en reviseren van je verslag samen 30-40%. 
  • Schrijvers die de benodigde gegevens al wel hebben verzameld, maar nog niet volledig hebben geanalyseerd, produceren gemiddeld één tot anderhalve pagina (400-600 woorden) per dag.
  • Bespreek bij het maken van je planning ook hoeveel literatuur er minimaal in het stuk verwerkt moet worden.

 

Op hoeveel begeleiding kun je rekenen? Hoe vaak en door wie? 

Maak hierover goede afspraken met je begeleider(s); met name bij je Researchproject. Heb je een tweede begeleider voor het geval de communicatie met de eerste docent niet wil vlotten, deze tijdens jouw schrijffase tijdelijk weg is (vakantie, congres), of het te druk heeft (cursus geven)? Jij mag van de docenten verwachten dat zij hun afspraken nakomen, maar zij moeten dat ook van jou kunnen verwachten! 

 

Over welk onderwerp moet ik gaan schrijven?

Soms staat het onderwerp vast en soms mag je zelf kiezen. Kies dan een onderwerp dat je ook echt aanspreekt. Met de juiste motivatie is het een stuk makkelijker om een verslag te schrijven. Wees specifiek en concreet in het afbakenen van je onderwerp (zie hieronder).

 

Wat zijn de beoordelingscriteria?

Als de docent geen specifieke beoordelingscriteria heeft opgesteld, hanteer dan de criteria beschreven in de verschillende rubrics per schrijfproduct in deze handleiding. 

Soms staat het onderwerp vast, bij andere opdrachten mag je zelf het onderwerp kiezen. Probeer altijd zo concreet mogelijk te zijn bij de keuze van je onderwerp. Een algemeen onderwerp zoals celdeling of kanker zorgt ervoor dat je in een grote brij aan informatie belandt. Met behulp van onderstaande vragen kun je een algemeen onderwerp opsplitsen in deelonderwerpen en nog kleinere deelgebieden. Uiteindelijk kun je van het algemene onderwerp ‘celdeling’ uitkomen op bijvoorbeeld ‘de rol van p53 bij de celcyclus’ of ‘de overgang van de G1-fase naar de S-fase door cycline-CDK-complexen’. Deze onderwerpen zijn veel beperkter, maar daardoor ook veel specifieker, concreter en duidelijker, wat het zoeken naar geschikte literatuur vergemakkelijkt.

Zodra je een globaal idee hebt over wat het onderwerp wordt van het verslag kun je op zoek gaan naar geschikte literatuur. Begin met het selecteren en lezen van een aantal recente review-artikelen over het onderwerp. Het lezen van verschillende meningen over jouw onderwerp kan je helpen om een nog duidelijker beeld te krijgen van hetgeen waarover jij precies wilt gaan schrijven. Hierdoor wordt de zoektocht naar bruikbare (primaire) literatuur eenvoudiger. 

Door van een globaal onderwerp naar een veel specifieker onderwerp te gaan, snap je beter hoe het specifieke onderwerp in het grotere geheel past: het vergroot je inzicht in het vakgebied en dat is handig voor het vaststellen van de wetenschappelijke relevantie en formuleren van je onderzoeksvraag. Ook wanneer je van de docent al een heel specifiek onderwerp gekregen hebt, is het nuttig om je af te vragen hoe dit specifieke onderwerp in een groter geheel past.

Vragenlijst bij het afbakenen van je onderwerp

  • Wat is het? Welke kenmerken heeft het? 
  • Waarop lijkt het? Waaraan is het tegengesteld? 
  • Wie of wat doet het? Wie of wat is erbij betrokken? 
  • Wie of wat ondergaat het? 
  • Waaruit bestaat het? Welke soorten of onderdelen zijn er te onderscheiden? 
  • Waartoe behoort het? Waar is het een onderdeel van? 
  • Waar komt het voor? 
  • Wanneer komt het voor? Wanneer is het begonnen of geëindigd? 
  • Waar komt het vandaan? Waar gaat het naartoe? Hoe ontstaat het of is het ontstaan? Hoe ontwikkelt het zich? 
  • Hoe gebeurt het? Welke methoden worden ervoor gebruikt? 
  • Welke voorwaarden of omstandigheden maken het mogelijk? 
  • Welk doel dient het? Welke taak heeft het? 
  • Wat zijn er de oorzaken of redenen van? 
  • Welke argumenten of motieven zijn ervoor of ertegen aan te voeren? 
  • Welke gevolgen heeft het? 
  • Welke waarde heeft het? Wat zijn de voordelen? Wat zijn de nadelen? 
  • Welke maatregelen vereist het? 

(Uit Nederhoed P. 1985.Helder rapporteren. Deventer.)

 

Als je vrij concreet weet waar je over gaat schrijven is het belangrijk om zo snel mogelijk de onderzoeksvraag te formuleren. Dit is de centrale vraag waarop het onderzoek antwoord probeert te geven. Vraag je hierbij goed af wat het doel van je onderzoek is: wil je iets beschrijven of verklaren, wil je iets voorspellen, iets vergelijkenevalueren, of iets voorstellen? Het doel van je tekst bepaalt de formulering van je onderzoeksvraag. Als je op deze manier naar je onderwerp kijkt, wordt het veel duidelijker wat je precies te weten wilt komen en hoe je dit aan kunt pakken. Bij een groot onderzoek zoals een literatuurscriptie of een lang praktisch onderzoek vallen er vaak meerdere deelvragen onder de centrale onderzoeksvraag.

In iedere wetenschappelijke tekst staat een onderzoeksvraag centraal. In reviews en primaire artikelen wordt deze ‘vraag’ meestal niet letterlijk genoemd, maar wel het doel dat de studie beoogt (‘what we want’ en ‘task’ in dit voorbeeld). Door de vaste structuur van wetenschappelijke artikelen wordt dit doel beschreven aan het einde van de introductie en het antwoord daarop in de discussie.

Tijdens het zoeken naar en het lezen van geschikte literatuur is het soms lastig om het overzicht te houden. Het is handig om je gedachten te ordenen in een zogenaamde mindmap. Een mindmap is een spinnenweb van steekwoorden of zinnen rondom een thema of onderwerp. Deze mindmap komt goed van pas bij het maken van een schrijfplan, een schematische opzet van het verslag die je maakt vóórdat je begint met schrijven.

In het schrijfplan geef je per hoofdstuk puntsgewijs aan welke informatie besproken gaat worden. Rangschik de informatie zodat je kunt zien of de verhaallijn logisch is voor de lezer. Uit deze ruwe opzet vloeien de paragrafen voort. De paragrafen kunnen op dezelfde manier worden onderverdeeld in alinea’s, die op hun beurt weer kunnen verbonden door middel van bruggetjes en verbindingswoorden.  

Paragrafen zijn meestal opgedeeld in verschillende alinea’s. Een goede alinea‑indeling geeft een verslag structuur en vergroot de inzichtelijkheid van een tekst. Een goede alinea bevat een aantal zinnen over één onderwerp. Wanneer er wordt overgestapt naar een nieuw onderwerp begint er een nieuwe alinea. De vuistregel is dat een alinea van twee zinnen te kort is omdat de tekst er erg onrustig door wordt. Daarnaast moet een alinea ook niet te lang (meer dan halve pagina) zijn omdat de tekst dan erg moeilijk te lezen is. 

Een alinea:

  • Begint door een regel wit te laten óf door in te springen.
  • Bevat één boodschap.
  • Heeft een eerste zin die aangeeft waar de alinea over zal gaan.
  • Heeft een afronding in de vorm van een samenvatting of een conclusie.
  • Kan niet eindigen met nieuwe informatie.