De onderzoekscyclus

Ontdekkingen leiden meestal tot meer vragen dan antwoorden. Een resultaat, conclusie of nieuwe ontdekking creëert nieuwe mogelijkheden of roept nieuwe vragen op die je kunt onderzoeken. Hiermee begint meestal een nieuwe onderzoekscyclus. De onderzoekscyclus bestaat uit de zes fasen die hieronder beschreven staan (zie figuur 1). De structuur van een wetenschappelijke tekst volgt deze fasen van de onderzoekscyclus.

Figuur 1: De onderzoekscyclus bestaat uit zes fasen: probleemanalyse, onderzoeksplan, uitvoering, resultaten, conclusies en rapportage.

 

In de eerste fase van de onderzoekscyclus wordt een open onderzoeksvraag geformuleerdWat jij wilt onderzoeken wordt gevoed door waarnemingen, theorieën, resultaten en ervaringen. Met het onderzoek wil je een bepaald ‘probleem’ oplossen. Dit probleem kan je afbakenen door vragen zoals:

  1. Waarom is de vraagstelling relevant? 
  2. Wat levert het beantwoorden van de onderzoeksvraag op?
  3. Wat is er al bekend over het onderwerp, en wat niet?

Het afbakenen van het probleem waarvoor je een oplossing zoekt, en een concrete vraagstelling zijn heel belangrijk om je onderzoek uitvoerbaar te maken. Het formuleren van deelvragen helpt daarbij. Het (verwachte) antwoord op de onderzoeksvraag is de toetsbare onderzoekshypothese, die wordt beargumenteerd door bestaande inzichten en literatuur.

In deze fase geef je aan hoe je de onderzoeksvraag gaat beantwoorden. Waarom ga je welke literatuur met elkaar vergelijken, of waarom worden welke experimenten uitgevoerd? Naast een verantwoording van je methoden/technieken is het ook belangrijk om na te denken over de opzet van je experiment, gelet op controles, groepen, meetpunten en op welke wijze de data moeten worden geanalyseerd (inclusief statistische benadering). In deze fase stel je ook hypothesen voor de verschillende proeven op. Deze voorspellingen ondersteunen de onderzoekshypothese, zijn toetsbaar en zijn meer gericht op de te verwachten waarneming.

Bij een theoretisch onderzoek maakt een literatuurstudie, waarin je verschillende theorieën en concepten uitwerkt, deel uit van de dataverzameling. Bij praktisch onderzoek bestaat de dataverzameling uit de uitvoering van experimenten en het verzamelen van kwantitatieve data. In deze fase is het belangrijk zeer nauwkeurig te werk te gaan en al je zintuigen te gebruiken, omdat afwijkingen van het protocol onverwachte resultaten kunnen verklaren.

De verzamelde data staat niet gelijk aan een resultaat. De data moet mogelijk nog getransformeerd worden of er zullen eerst nog bepaalde berekeningen moeten worden uitgevoerd. Voor iedere onderzoeker is het belangrijk te begrijpen hoe en waarom een berekening is uitgevoerd. De resultaten dienen uiteraard eenvoudig herleidbaar te zijn naar de ruwe data. Hier heb je over nagedacht tijdens het maken van het onderzoeksplan. De resultaten grijpen terug op de onderzoekvraag en het probleem dat je probeert op te lossen, en ze zullen de hypothese bevestigen of weerleggen.

In de conclusie beantwoord je de onderzoeksvraag en evalueer je de kwaliteit van je onderzoek. Hiervoor ga je jouw resultaten met elkaar vergelijken, interpreteren en bepaal je hoe ze zich verhouden tot de oorspronkelijke waarneming en/of de bestaande literatuur. Je evalueert of je hebt gemeten wat je had willen meten en of de resultaten betrouwbaar zijn. Daarbij bepaal je de sterke punten en de limitatie van je studie. 

In de rapportage kijk je terug op alle voorgaande fasen en verwerk je deze in een geschreven stuk of een presentatie. De eerdere waarnemingen en conclusies leiden tot nieuwe inzichten, concepten en theorieën welke in een nieuwe cyclus kunnen worden getoetst. Een goed verslag laat een duidelijke samenhang zien tussen de verschillende onderdelen van de onderzoekscyclus. Het is heel belangrijk dat de verschillende onderdelen van het verslag op elkaar aansluiten. Het zou vreemd zijn als de proefopzet niet bij de hypothese past of dat de conclusie een antwoord is op een totaal andere vraagstelling. 

Een samenhangend verhaal beantwoordt onderstaande vragen bevestigend:

  • Is de observatie die heeft geleid tot dit onderzoek is helder beschreven?
  • Is de relevantie helder beschreven? 
  • Komt de onderzoeksvraag voort uit de beschreven observatie?
  • Is de onderzoekshypothese een antwoord op de onderzoeksvraag? 
  • Is de onderzoekshypothese goed onderbouwd? 
  • Is de voorspelling toetsbaar?
  • Worden alle resultaten uitgelegd?
  • Passen de (interpretaties van de) resultaten bij de gemaakte conclusies?
  • Worden de conclusies vergeleken met de voorspellingen en de onderzoekshypothese?

Draagt de betekenis van de conclusies bij de (beschreven) wetenschappelijke en maatschappelijke relevantie van het onderzoek?