Structuur van een wetenschappelijke tekst

De structuur van een wetenschappelijk schrijfproduct (zoals een labjournaal, practicumverslag, of wetenschappelijk artikel) is vaak als volgt: inleiding, materialen & methoden, resultaten, en discussie & conclusie, ofwel de zogenaamde IMRD-structuur. In alle onderdelen van het schrijfproduct zijn verschillende fasen van de onderzoekscyclus te herkennen (zie figuur 2). 

Figuur 2. Wetenschappelijke rapportage volgt de onderzoekscyclus. De fasen van de probleemanalyse en het onderzoeksplan worden verwerkt in de inleiding. De uitvoering en resultaten staan in het middendeel (respectievelijk: materialen & methoden en resultaten). Tijdens de conclusie-fase worden deze verwerkt in de discussie en conclusie van het rapport.

 

Naast de vaste IMRD-onderdelen zie je in ieder wetenschappelijk schrijfproduct ook het zandlopermodel terug (zie figuur 3), waarbij de inleiding de bovenkant van de zandloper vormt (ook wel het trechtermodel genoemd), de materialen & methoden en de resultaten het middendeel, en de discussie de onderkant van de zandloper. In de inleiding schrijf je van groot (brede context) naar klein (specifieke vraagstelling/hypothese) en in de discussie juist van klein (beantwoording vraagstelling, interpretatie resultaten) naar groot (betekenis resultaten voor het onderzoeksveld en de maatschappij). Ook de beknopte samenvatting van een wetenschappelijk artikel (‘abstract’ in het Engels) wordt geschreven volgens de IMRD- en zandloperstructuur, zoals je in dit voorbeeld kunt zien.

Figuur 3. De structuur in een tekst volgens het zandlopermodel. In de inleiding wordt van groot naar klein geschreven, de discussie is omgekeerd van klein naar groot.

 

In de inleiding schrijf je van groot naar klein. Hierbij beschrijf je de volgende elementen in deze volgorde: 

  • Een beschrijving van het probleemgebied of een observatie. 
    • Begin met het beschrijven van de brede context en/of de maatschappelijke relevantie van het probleem. 
    • Vanuit brede context richt je je specifieker op algemeen aanvaarde theorieën en concepten over dit onderwerp. Dit is algemene kennis uit de biologie of geneeskunde die je ook in lesboeken terugvindt. 
  • Vanuit deze bestaande kennis richt je je op de wetenschappelijke relevantie. Deze bestaat uit twee delen:
    • eerdere bevindingen (beschreven in de literatuur); 
    • het ‘gat in de kennis’ (wat is er nog niet bekend, of welk probleem blijft er bestaan met de huidige stand van zaken?). 
    • Deze wetenschappelijke relevantie biedt de aanleiding tot het onderzoek. 
  • Hoewel je onderzoeksvraag centraal staat in je onderzoek, stel je deze vraag niet letterlijk in je introductie.  
    • In plaats van de onderzoeksvraag letterlijk te stellen, kan je het doel van je experiment benoemen: welk probleem wil je oplossen? 
  • Na formulering van de onderzoeksvraag geef je de onderzoekshypothese.
    • Deze wordt ondersteund door de literatuur.
  • De inleiding wordt afgesloten met de onderzoeksopzet waarin je beschrijft hoe je de onderzoeksvraag gaat beantwoorden en wat je verwachtingen zijn. 

In de materialen en methoden beschrijf je gedetailleerd hoe en met behulp van welke materialen en reagentia een experiment is uitgevoerd. Je schrijft dit achteraf, dus in de verleden tijd. Vaak zijn dit antwoorden op vragen als wanneer, hoe lang en hoeveel? De materialen en methoden bevatten altijd informatie over:

  • Apparatuur en reagentia: 
    Merk of type apparatuur, instellingen van apparatuur, de omstandigheden waaronder de metingen plaatsvonden, temperatuur, pH, concentraties, vereenvoudigd schema van een ingewikkelde meetopstelling etc.

     
  • Proefopzet en procedure:
    Wat voor metingen heb je gedaan, wanneer en in welke volgorde, van welke methoden heb je gebruik gemaakt, wat was je steekproefgrootte, het aantal replica-metingen etc.

     
  • Verwerking en betrouwbaarheid van de data:
    Berekeningen en transformaties van de data, statistiek.

De lezer moet het experiment kunnen herhalen om je resultaten te verifiëren. Kleine details zijn daarom uitermate belangrijk. Indien de methode gelijk is aan eerder (gepubliceerd) werk volstaat soms ook een verwijzing naar deze literatuur. Omdat je beschrijft hoe (reeds gedane) experimenten zijn uitgevoerd, schrijf je de materialen en methoden in de verleden tijd.

De resultatensectie geeft een beschrijving van de gemaakte observaties tijdens het experiment en een beschrijving van de resultaten die antwoord geven op je onderzoeksvraag. Een veelgemaakte fout is dat de resultaten wel voortkomen uit de data van het uitgevoerde experiment, maar dat deze niet aansluiten bij de onderzoeksvraag en hypothesen. Bedenk dus eerst welke resultaten je absoluut moet laten zien om de boodschap die je hebt over te brengen op de lezer en welke resultaten je conclusies zullen onderbouwen. Het is vaak makkelijker om eerst je tabellen en figuren op te stellen. Deze vormen de leidraad voor de resultatensectie, zodat je in de geschreven tekst kan beschrijven wat je in de figuren en tabellen ziet. De geschreven tekst ondersteunt de figuren, maar is in principe ook te begrijpen zonder de figuren. 

De interpretatie van de resultaten en de conclusies hoort in principe thuis in de discussie, niet in de resultaten. Het kan echter voorkomen dat voor de hand liggende verklaringen wel al in de resultaten worden vermeld. Afhankelijk van het wetenschappelijke tijdschrift (en je docent) is het soms een bewuste keuze om je resultaten al wel te interpreteren in de resultaten (controleer dit bij je docent!). Net als de materialen en methoden worden de resultaten in de verleden tijd geschreven.

De discussie is meer dan het bespreken van je resultaten (dat heb je al gedaan) en een foutenanalyse. In de discussie ga je je resultaten interpreteren en probeer je je resultaten juist te verklaren en in context te plaatsen. Volgens het zandlopermodel beschrijf je hier de volgende elementen van klein naar groot (dus in onderstaande volgorde):

  • Je beantwoordt de vraagstelling (conclusie) uit de inleiding en geeft aan of je onderzoekshypothese klopt.
  • Je geeft een onderbouwde verklaring en interpretatie voor jouw resultaten (deelconclusies) en geeft aan of de experimenten voldoen aan je verwachtingen.
  • Wat betekenen je resultaten voor jouw onderzoek?

Om je resultaten in een bredere context te plaatsen ga je jouw resultaten vergelijken met het werk van anderen: 

  • Komen de resultaten overeen? Waarom wel of niet?
  • Wat betekenen je resultaten voor het onderzoeksgebied (wetenschappelijke relevantie)?
  • Leiden jouw resultaten (samen met de data van anderen) tot nieuwe inzichten en hypotheses?
  • Hoe dragen je resultaten en de nieuwe inzichten bij aan de maatschappelijke relevantie?
  • Als je nieuwe onderzoeksvragen (op basis van je nieuwe inzichten) wil beantwoorden: hoe zou je dat aanpakken?

De conclusie is, zoals het lijstje hierboven suggereert, een onderdeel van de discussie, maar sommige docenten of tijdschriften zien liever een aparte samenvattende conclusie.