Tijdens het schrijven

Begin niet direct met schrijven, maar maak eerst  een schrijfplan met behulp van de gelezen literatuur. Hierin werk je de structuur van je tekst uit: welke informatie geef je op welke plaats in de tekst? Wat is een logische volgorde en opbouw volgens het zandlopermodel?Begin je schrijfplan op hoofdlijnen (paragrafen), en werk vervolgens uit wat de boodschap van de alinea's per paragraaf moet worden. 

Is je schrijfplan klaar? Nu kan je beginnen met schrijven. De schrijffase van een scriptie of (stage)verslag kan worden opgesplitst in drie fasen: het schrijven, het ‘afstand nemen’ en het reviseren. 

Probeer, als je echt gaat schrijven, eens zonder te stoppen een kwartier of een half uur achter elkaar door te gaan. Stoor je niet aan taalfouten en laat je niet door anderen afleiden. Als je even vastzit, probeer jezelf dan in spreektaal of steekwoorden uit te leggen wat je nou eigenlijk bedoelt. Lukken bepaalde stukken dan nog steeds niet, laat ze dan tijdelijk voor wat ze zijn; je kunt ze later altijd nog verbeteren. Probeer het schrijftempo vast te houden en onthoud dat je met de eerste versie bezig bent: die hoeft nog niet perfect te zijn! Dit werkt veel beter dan langzaam schrijven en elke zin op een goudschaaltje te wegen. 

Tijdens de studie zijn er enkele mogelijkheden om je tekst in het Engels te schrijven. Dit is vanzelfsprekend een goede oefening voor het schrijven in het Engels en we raden je dan ook aan om van deze mogelijkheden gebruik te maken. Wanneer je besluit om een tekst in het Engels te schrijven, start dan ook in het Engels en niet in het Nederlands.

Je eerste versie is af. Ga iets anders doen! Als je echt intensief geschreven hebt moet je even ontspannen en dat hele verslag uit je hoofd zien te zetten. Werk je toch door, dan zal je merken dat er een moment komt dat je over je fouten heen leest. Het is dan niet erg zinvol meer om nog verder door te gaan. 

Nu kan je de tekst gaan verbeteren. We raden aan om dit in fasen te doen: 

1. Lees de tekst aandachtig door en let daarbij op of het logisch is wat je hebt opgeschreven:

  • Ben je dingen vergeten, waardoor de lezer de draad kwijt kan raken? 
  • Zijn er dingen waar je te uitgebreid op in bent gegaan?
  • Moeten er dingen bij, of vooral: kunnen er stukken af? 
  • Is elkstuk tekst functioneel? 
  • Kom je in de discussie terug op de in de inleiding geformuleerde onderzoeksvraag en het doel dat je beoogt met je onderzoek? 

 

2. Hoe is je taalgebruik?

  • Leest het lekker weg en is het een continu verhaal? 
  • Zijn er taalfouten (spelling, grammatica, tijdsgebruik)? 

 

3. Lees alles nog een keer en stel jezelf nogmaals dezelfde vragen, en:

  • Controleer bovendien of je in de tekst verwijst naar de juiste figuren, tabellen en foto’s.
  • Controleer of alle literatuur die je in de tekst aanhaalt ook daadwerkelijk in de literatuurlijst vermeld staan.

 

4. Verfraai het uiterlijk van je verslag:

  • Maak gebruik van duidelijke lettertypes.
  • Maak gebruik van consistente kopjes boven hoofdstukken en paragrafen.
  • Maak een rustige indeling (verhouding figuren, tekst en kantlijn).
  • Maak eventueel een passende voorpagina.
  • Voeg paginanummers toe en maak een inhoudsopgave.

 

5. Lees de tekst nog een keer en/of laat het door een medestudent bekijken! 

Die kijkt er met een frisse blik naar en kan er vast nog allerlei fouten uithalen.