Leerdoelen

Voor de leerlijn Academisch Schrijven zijn leerdoelen opgesteld die vakoverstijgend zijn. Deze leerdoelen zijn opgesplitst in subdoelen per niveau/leerjaar. Naast de algemene onderverdeling in niveau 1, 2 en 3 gelden ook de volgende criteria bij ieder leerdoel:

0

Algemeen

0.1

hoge mate van sturing en/of enkelvoudige onderzoeksvraag

0.2

beperkte mate van sturing en/of uitgebreide onderzoeksvraag (+ alles van 1)

0.3

zelfstandig en/of complexe en meervoudige onderzoeksvraag (+ alles van 1 en 2)

 

In iedere cursus wordt aandacht besteed aan één of meerdere schrijfleerdoelen. Ze komen echter niet allemaal in elke cursus terug. Wil je graag werken aan bepaalde schrijfskills? In de toekomst bieden we je een overzicht van de schrijfleerdoelen per cursus.

 

1.1

De student kan betrouwbare en recente wetenschappelijke literatuur vinden met behulp van geschikte zoekmachines.

1.2

De student kan op basis van wetenschappelijke literatuur nieuwe zoektermen formuleren.

1.3

De student kan relevante wetenschappelijke literatuur van aangrenzende onderzoeksdisciplines verzamelen.

2.1

De student is in staat om te beoordelen of conclusies uit literatuur aansluiten bij een enkelvoudige onderzoeksvraag.

2.2

De student is in staat om voor- en nadelen van verschillende technieken/proeven ter beantwoording van een onderzoeksvraag te (h)erkennen en te beoordelen of resultaten (de argumenten van) de conclusie ondersteunen.

2.3

De student is in staat om te beoordelen of de experimentele opzet aansluit bij de vraagstelling en of de conclusies van complexe onderzoeken met een meervoudige vraagstelling aansluiten bij de resultaten en de vraagstelling.

3.1

boekhoofdstukken en uiteenzettingen van (eenvoudige) theorieën 

3.2

reviews en primaire literatuur 

3.3

meerdere complexe wetenschappelijke bronnen of literatuur van aangrenzende onderzoeksgebieden 

4.1

De student is in staat een enkelvoudige onderzoeksvraag en hypothese te formuleren.

4.2

De student is in staat om op basis van ontbrekende kennis in het eigen onderzoeksgebied een onderzoeksvraag en bijhorende deelvragen formuleren.

4.3

De student kan een operationaliseerbare onderzoeksvraag met bijhorende hypothese formuleren en deze bijstellen op basis van nieuwe inzichten.

5.1

De student is in staat om een biomedisch onderwerp (review/boeken) in een samenhangende tekst in correct Nederlands te beschrijven op bondige en neutrale wijze.

5.2

De student is in staat om een biomedisch onderwerp te beschrijven volgens een wetenschappelijke schrijfstijl in correct Nederlands en Engels.

5.3

Idem 5.2

6.1

De student is in staat het doel van een onderzoek (primaire literatuur) met een eenvoudige of enkelvoudige vraagstelling te beschrijven voor medestudenten.

6.2

De student is in staat om de rationale en de doelstellingen van primaire literatuur te beschouwen en te beschrijven op wetenschappelijke wijze.

6.3

De student is in staat om op kritische wijze de rationale en de doelstellingen van onderzoek met een complexe en meervoudige vraagstelling te beschouwen en over te brengen naar peers.

7.1

De student is in staat om een biomedisch onderwerp (review/boeken) te vertalen voor het grote publiek, door aanpassing van de vocabulaire en inzicht in welke achtergrondinformatie toelichting vereist voor de leek.

7.2

De student is in staat om de kern van een onderzoek (achtergrond + doel, resultaten, toekomstperspectief) te beschrijven voor het grote publiek.

7.3

De student is in staat om complexe biomedische theorieën te vertalen naar het grote publiek, waarbij de student rekening houdt met de maatschappelijke impact van het onderzoek.

8.1

De student is in staat om met instructie van een docent een schrijfplan op te stellen (en tussentijds aan te passen), passend bij verschillende schrijfproducten welke leidend zijn voor het eindproduct.

8.2

De student is in staat om na enig overleg met een docent of peers een schrijfplan en realistische planning op te stellen voor wetenschappelijke schrijfproducten.

8.3

De student is in staat zelfstandig een schrijfplan en realistische planning op te stellen voor complexe wetenschappelijke schrijfopdrachten, en zich hieraan te houden.

9.1

De student heeft inzicht in de onderzoekscyclus en ziet in hoe van hieruit een wetenschappelijke tekst is opgebouwd (zandlopermodel en IMRD structuur). De student is in staat een structuur met inleiding, middendeel en slot op te stellen en om kern- en slotzinnen per alinea uit te werken. Hierbij worden signaalwoorden worden gebruikt om meerdere argumenten met elkaar in verband worden gebracht.

9.2

De student is in staat om een eenvoudige wetenschappelijke tekst op te bouwen volgens het zandlopermodel en de juiste indeling te hanteren passend bij het type verslag. Signaalwoorden worden op de juiste wijze ingezet om argumenten aan elkaar te verbinden.

9.3

De student is in staat een complexe wetenschappelijke tekst op te bouwen volgens het zandlopermodel en weet daarin op overtuigende wijze wetenschappelijke argumenten te verwerken middels signaalwoorden.

10.1

De student is in staat de wijze waarop onderzoekers hun conclusie onderbouwen te herkennen in een wetenschappelijk artikel.

10.2

De student is in staat om patronen en uitzonderlijke gevallen te herkennen en voor- en tegen argumenten op overzichtelijke wijze in een bijhorende argumentatiestructuur op te stellen.

10.3

De student is in staat om voor- en tegen argumenten uit wetenschappelijke literatuur af te wegen om zo een weloverwogen conclusie te trekken.

11.1

De student is in staat om informatie uit tabellen, grafieken en figuren te vergelijken met de beschrijving van de resultaten in de hoofdtekst, interpretatie van de resultaten en de conclusie.

11.2

De student is in staat een gestelde hypothese onderbouwd te verwerpen dan wel aan te nemen op basis van zijn eigen bevindingen of gevonden resultaten uit verschillende bronnen en deze op een wetenschappelijke (zeer behouden/voorzichtig/in de context) te beschrijven in een conclusie.

11.3

De student is in staat zelf een logische onderbouwing te geven voor conclusies ten aanzien van zijn eigen bevindingen of onderzoeksresultaten en te reflecteren op recente onderzoeksresultaten in een vakgebied.

12.1

De student is in staat om (eigen) data samen te vatten en op correcte wijze weer te geven in tabellen en grafieken (titels, assen en legenda).

12.2

De student ziet in hoe verschillende weergaven van dezelfde data de interpretatie van die data kan beïnvloeden.

12.3

De student is in staat een afgewogen keuze te maken voor het optimaal weergeven van onderzoeksdata en het samenvatten van nieuwe theorieën in figuren.

13.1

De student is in staat om op de juiste plaats in een tekst referenties te gebruiken en op basis van alle referentie een uniforme referentielijst te genereren met behulp van een referentieprogramma.

13.2

De student kan citeren en parafraseren en kan hiervoor recente literatuur gebruiken, onderscheid makend wanneer reviews en originele research papers kunnen worden gebruikt als referentie.

13.3

 Idem 13.2